Veenkolonien

 

Start
Veenkolonien
Gegevens Ronda
Gegevens Gibcus

 

 

 

Wild en woest en ledig was het veen, daar in het verre noorden van Nederland. Duizenden kwamen in de zeventiende achttiende eeuw van heinde en verre naar dit onontgonnen gebied om hun geluk te beproeven. De eersten die in op grote schaal het veen wilden gaan ontginnen, was een aantal heren, die onder de naam Stichtse Compagnie van de stad Groningen pachtten. Maar deze Stichtse, later Rheensche Compagnie kwam niet verder dan de voorbereidingsfase. De Stad nam zelf het heft in handen en liet een kanaal graven in oostelijke richting. 

In 1618 werd het Duivels- of Sappe-meer bereikt en drooggelegd. De eerste verpachting in Sappemeer vond plaats in 1624. Het Heerendiep, later Winschoterdiep, de verbinding tussen de stad Groningen en Winschoten, werd voltooid in 1637. In Sappemeer werd het merendeel van de veenplaatsen verpacht aan stadsmeiers. Zij betaalden met een deel van de gewonnen turf en moesten nadat alle turf was afgegraven de vrijgekomen dalgrond geschikt maken voor landbouw. Daarvoor konden ze mest en stratendrek gebruiken, dat uit de Stad werd aangevoerd. Naast individuele pachters waren er groepen ondernemers, die zich hadden georganiseerd in compagnieén. De Oude Friese Compagnie groef het Winkelhoeksterdiep en de Kalkwijk, de Kielcompagnie het Kielsterdiep. De Borgercompagnie legde in 1647 het Kleine Meer droog, een kleine waterplas ten zuiden van Sappemeer. In de periode dat Hendrikus Gibcus naar Sappemeer vertrok, rond 1794, was dus het veen al verdwenen uit Sappemeer. Het was een welvarende veenkolonie, met scheepswerfjes en aanverwante ambachten, winkeltjes en andere neringdoende. Langs het kanaal naar Groningen waren al vele boerderijen, burgerwoningen, winkels en herenhuizen verrezen. Wat voor de eerste Gibcus in Groningen reden was om vanuit Kleef naar het noorden te trekken, is (nog) niet duidelijk.

 

Start | Veenkolonien | Gegevens Ronda | Gegevens Gibcus